19/04/10 - 10u00
De boetiek waar ik na een goed rapport steevast met mijn vader ging winkelen, is er niet meer, merk ik. Isabelle, heette de winkel, en mijn vriendinnen voegden daar na verloop van tijd gewoon een vraagteken aan toe als ik weer eens een nieuwe outfit showde. Ik herinner me de plezierige verwachting waarmee ik hier binnenstapte, en de glimmende, goedhartige trots waarmee mijn vader me aankeek als ik uit het pashokje kwam.Geen enkel kledingstuk heeft me ooit nog zo goed gestaan als toen,in zijn ogen. Nu verkoopt men er producten van een Frans beautymerk. De coffeeshop - zo heette dat toen, zonder enige bijgedachte - op de markt, waar we daarna pannenkoeken gingen eten is er wél nog altijd, zie ik, en ook de mooie, eerbiedwaardige drogisterij annex apotheek waar ik mijn eerste make-up kocht. Zo zorgeloos als het leven toen was, en ongehaast, zeker als ik het vergelijk met de hectiek van de jaren die daarna kwamen.
Omdat mijn vader ziek is, breng ik meer tijd dan gewoonlijk door in de stad waar ik mijn kinderjaren en jeugd heb gesleten, en dat is een bevreemdende ervaring. Het voelt vertrouwd, maar toch ook weer niet. Bepaalde stukken van de stad ogen als het decor van een toneelstuk uit lang vervlogen tijden. Andere, zoals het nieuwe, prestigieuze winkelcentrum, zijn me volslagen vreemd.
Ik weet nog hoe vreselijk jaloers ik vroeger, tijdens die eerste, eenzame jaren in Brussel, kon zijn op mensen die hun leven lang bleven wonen in de omgeving waar ze geboren waren. Ik benijdde hen om de geborgenheid die ik in hun bestaan vermoedde. Omdat ze als het ware konden meegroeien met de straten en pleinen en gebouwen. Wat heerlijk moest dat zijn, overdacht ik - zelf vreemdeling in de grote stad - om ergens geen anonieme, toevallige voorbijganger te zijn, maar een bekend en vertrouwd gezicht, met dezelfde wortels en een gemeenschappelijke geschiedenis.
Wij zijn ondertussen vreemden voor elkaar geworden, de stad en ik: zij heeft niet stilgezeten, en ik ben een ander mens geworden. Het is geen thuiskomen, wat ik hier doe, en als mijn ouders hier niet woonden, had ik hier niets meer te zoeken.
Vanzelfsprekend is ook de lay-out van de supermarkt waar ik gemakshalve mijn boodschappen maar even doe veranderd. Ik bedenk hoe onwennig het is, om na al die jaren Frans plots weer West-Vlaams te horen tussen de rekken en aan de kassa. Maar het bevalt me wel, en ik betrap me erop dat ik glimlachend luister.
Ergens diep in mij ontspant zich iets. En als ik, na al die jaren, plots het onovertroffen woordje 'wuk?' (wat?) opvang, voelt het éven alsof er een warme deken over me heen wordt gegooid.
Uit Nina 157, 17 april 2010










