Ons restaurant!
De ramen van het restaurant zijn al in geen maanden meer schoongemaakt, merken we. Achtereenvolgende regen- en sneeuwvlagen, zilte zeewind en opstuivende zandkorrels hebben een vieze, vette laag achtergelaten, waarin ik met de mouw van mijn jas probeer een kijkgaatje te vegen.
Met bijna dichtgeknepen ogen zie ik binnen de stoelen op de tafels staan. Iets anders is er niet meer: de ruimte oogt kaal en desolaat. Niets laat vermoeden dat het hier nog niet eens zo lang geleden een gezellige drukte was van tevreden smikkelende gasten en heen en weer lopende diensters. Nergens hangt een bordje met een datum van heropening. Zwijgend laten we de verschrikkelijke waarheid tot ons doordringen: ons favoriete restaurant heeft de deuren gesloten.
Ontredderd staan we een ogenblik stil op de dijk, huiverend in de bijtende kou en een plots gevoel van verlatenheid. Hiermee zetten we een punt achter een twintig jaar durende liefdesgeschiedenis. Zoals bij zoveel liefdes speelden toeval en gemakzucht een grote rol: we kwamen hier in de eerste plaats terecht omdat het restaurant letterlijk om de hoek lag. Dat de keuken eerlijk was en de porties genereus, de sfeer ongedwongen en de baas en het personeel hartelijk, ontdekten we geleidelijk.
Toen zoonlief nog klein was, kwamen we hier met de buggy. Later zette hij zijn eerste, wankelende stapjes in het zand tussen de tafels op het buitenterras, en nog later speelde hij in de omringende duinen terwijl wij aan iets koels nipten.
De garçon wist mijn favoriete aperitief, ik kende zijn hobby's, en zelfs met de jobstudenten in het seizoen kregen we een band. We hebben er ooit nieuwjaar gevierd, en het was de plek waar we met z'n drieën gingen eten en bekomen, het eerste weekend na de aanslagen van 9/11 en de daaropvolgende hectische dagen op het werk.
Ik dacht er toen niet zo bij na, maar het zal wel geen toeval zijn dat ik grote behoefte had aan de plek die mij zo vertrouwd was en veilig leek. Toen mijn zoon later groot genoeg was om met vrienden op het appartement te verblijven, zei ik bij wijze van geruststelling voor hen en vooral mezelf: 'En als er iets is, ga je maar naar Dirk'.
Het was een beetje thuiskomen. Ongetwijfeld waren er plekken waar de menukaart gevarieerder en avontuurlijker was, en daar gingen we ook wel 'ns, maar altijd lieten we ons daarna weer met een zucht van opluchting in de vertrouwde stoelen zakken. Ik mocht er urenlang een boek lezen bij slechts twee koffies, en mijn zoon kreeg extra veel nootjes bij de cola.
Voorbij, voorgoed voorbij, denk ik. En ook: als er maar niks ergs gebeurd is. Zwijgend lopen we de dijk af. Het wordt een vreemde, nieuwe zomer hier voor ons, straks.
Uit Nina 147, 6 februari 2010